Jeroen van Merwijk (Esta “Nest” 2009)

 

Interview

Vanuit mijn het raam van mijn woonkamer kijk ik terug op mijn jeugd. In de verte ligt de -toen gloednieuwe- flat waar we in de jaren vijftig gingen wonen, liggen de straten waar ik urenlang voetbalde met wie er maar was. Ik was schuchter en pratend vond ik geen aansluiting, maar spelend wel. Kanaleneiland was een goede buurt, anders dan de achterstandswijk Zuilen waar mijn vader hoofd van de lagere school was. Omdat de samenleving nog hartstikke verzuild was gingen we naar een katholieke school en sportclub. De zaterdagen waren heerlijk. Rust aan je kop! Mijn broers konden niet voetballen, dus speelde ik als enige bij “Zwaluwen Vooruit”. Om acht uur fietste ik met een vriendje naar onze wedstrijd en daarna trapten we een balletje op park Welgelegen. Geen ouders langs de kant, ruzietjes loste je onderling op. Als ik maar om zes uur thuis was om te eten, was het goed.

We zaten elke dag wel anderhalf uur aan tafel. Dan vroegen mijn ouders: “En, wat deed jij vandaag?”. Het was, naast echte aandacht, ook wel controleren of we goed les kregen. Na het eten waste er één af. Er ging een plaat op. Ik zong mee met Harry Belinfonte en kende hele conferences van Toon Hermans uit mijn hoofd. Ondertussen zat ik te tekenen, tenminste, als ik geen ruzie maakte met mijn vader. Met hem hoefde ik tot zijn eind toe maar in één kamer te zijn of we botsten. Hij geloofde echt in de idealen van zijn tijd, dat alles maatschappijbepaald was en iedereen met goede begeleiding het hoogste kon bereiken. Hij gaf het tijdschrift  ‘Al doende’ uit, met praktische tips over het gebruiken van fotografie, boeken en spellen in de klas, om de jeugd te leren zich beter te uiten. Vol overtuiging riep hij dingen als: “In iedereen schuilt een kunstenaar”. Hoe jong ook, ik vond dat volslagen absurd! Zeg: “Iedereen is van nature een openhartchirurg” en je wordt toch vierkant uitgelachen?! Ik reageerde altijd op hem en hij werd dan altijd boos.

Mijn vader was een orkaan. Om het minste kwaad maar ook enorm liefdevol. Hij pakte ons beet, liep met mij op zijn schoenen in grote passen door de kamer. Hij was tactiel. Ik niet zo. In het cabaretcircuit omhelzen en zoenen mannen elkaar, maar al zijn het mijn vrienden, het voelt nog altijd ongemakkelijk. Privé en werk lopen bij mij in elkaar over, ik ontmoet veel vrienden onderweg, terwijl bij ons thuis veel mensen over de vloer kwamen. Ik ben altijd aan het bellen, zeker als het slecht met mensen gaat. Dat steunen heb ik van mijn moeder. Zij en ik kunnen dingen van allerlei kanten bekijken. Ik gebruik dat in mijn werk, stel vragen bij dingen die iedereen gewoon vindt en maak daar een grap van. Zij is fantastisch. Even kritisch als ik, maar omdat ze het waarom van elk gedrag begrijpt, veroordeelt ze niemand, wat ik soms wel doe. Met haar heb ik nooit één aanvaring gehad. Toen ze ons kreeg stopte ze als onderwijzeres en ging er eens goed voor zitten. Ze hadden me toen ik stotterde ook naar een logopedist kunnen sturen, maar mijn moeder nam me steeds bij zich, deed voor hoe ik rustig kon praten en liet me oefenen tot het over was.

 

Lees verder op de volgende pagina.

» kies een pagina: 1 2 3 4